Zwijnenjacht, een verhaal rond jaarpaal 100 (Jan Nijsink)

Het is vroeg in de morgen. De zon zendt haar eerste stralen over de heide en bossen. Maar toch loopt er in de verte al een groepje mannen. Aan hun wapens te zien zijn ze aan het jagen. Er loopt ook een jongen tussen met een boog over zijn schouder. Volkmar heet hij. Het is een gespierde jongen van ongeveer 14 winters oud. De mannen zijn aan het jagen op wilde zwijnen. Ze zijn al een tijdje bezig, maar ze hebben er nog niet één gezien, laat staan gevangen! Ze hebben al wel wat hazen en konijnen gevangen, maar daar heb je niet zoveel aan. Maar onverwachts zien ze eindelijk heel in de verte een paar wilde zwijnen lopen. Snel geeft het stamhoofd, de vader van Volkmar, zijn bevelen. De mannen moeten langzaam de wilde zwijnen van verschillende kanten besluipen, zodat ze niet kunnen ontsnappen. De jacht op de zwijnen is begonnen. Langzaam sluipt ook Volkmar, zo veel mogelijk gebruik makend van de bomen en struiken, naar de zwijnen. Hij zorgt er wel voor dat de dieren hem niet kunnen ruiken, want anders gaan ze er vandoor. Op een plekje, goed beschut door struiken, wacht hij tot alle mannen op hun plaatsen zijn gekomen. Plotseling kijkt een van de zwijnen onrustig op. Volkmar schrikt, misschien heeft het beest één van de mannen geroken en dan zullen de dieren er van door gaan! Snel haalt hij z'n boog van de schouder en pakt een scherpe pijl. Dan spant hij de boog en richt die op een groot en sterk mannetjeszwijn. De pijl zoeft weg en blijft trillend in de zijde van het grote beest steken. Een woedend gebrul stijgt op. Maar het grote zwijn is nog niet dood. Even aarzelt Volkmar maar dan trekt hij z'n mes uit de gordel en stormt op het zwijn af. Het grote dier ziet de jongen op zich afrennen. Dreigend steekt het zwijn de vervaarlijke slagtanden naar voren. Handig springt Volkmar opzij en steekt dan het mes in de rug van het dier. Woedend van de pijn draait het dier zich om en steekt toe. Hij kan de scherpe slagtanden niet meer ontwijken en een felle pijnscheut schiet door z'n lichaam, dan wordt alles zwart voor z'n ogen. Het zwijn zet nog een paar wankele passen en valt dan met een zware plof op de grond. De zon staat inmiddels hoog aan de hemel...

Honderden jaren later in het jaar 2008...
Midden in het bos staat langs een kronkelend pad een paaltje. Aan de zijkant van het paaltje hangt een kubus. Er staat op te lezen dat in de omgeving heel vroeger jagers hebben geleefd. Er lopen een paar mensen voorbij. Ook zij lezen wat er op de kubus staat, maar zij weten niet wat hier is gebeurd. En dat weten wij wel!